
Oude Berkelnaren vertellen: Kees de Bruin in oorlogstijd
Berkel en Rodenrijs - In het verenigingsblad Het Lint van de Historische Vereniging Berkel en Rodenrijs stond in april 2005 een interview van Johan Koot met de reeds op leeftijd zijnde Kees de Bruin. Kees vertelde over zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog. Nu 4 en 5 mei naderen, besteden we de komende weken in de rubriek Heden & Verleden aandacht aan de oorlogstijd.
Kees de Bruin werkte als chauffeur bij Piet de Vogel, de kolenboer. "In het begin van de Duitse bezetting ging het er minder geregeld aan toe. Zo moest Gerrit Kraaienbos, ook een chauffeur van Piet de Vogel, onderweg naar Rotterdam zijn vrachtauto afstaan aan Duitse soldaten, Gerrit kon toen terug naar huis lopen. Een paar dagen later fietste De Vogel door Overschie en zag daar in een van de zijstraten zijn vrachtauto staan. Hij vertelde het aan Gerrit, nou die durfde de auto wel te gaan halen. Hij fietste naar Overschie en nam de auto mee naar huis. De soldaten hadden de vrachtauto kennelijk maar even nodig gehad en vervolgens ergens achtergelaten."
Verhuur aan Duitsers
Toen de tijden slechter werden, was er voor vrachtauto’s geen werk meer. Kees: "Iemand, ik noem geen namen, kwam op het idee om de auto’s in een soort pool aan de Duitsers te verhuren, al dan niet met chauffeur. Ik had in die tijd net verkering, dus ik kon wel wat geld gebruiken. Ik reed op mijn wagen vijf weken in Vlissingen. Daarna voor het vliegveld Gilze Rijen. Daar moesten we graszoden heen brengen voor de aankleding van het vliegveld. De plaggen werden weggehaald bij de boeren, die daardoor hun koeien op stal moesten houden. Veel haalde het niet uit, want het was toen droog en warm, waardoor het gras, ondanks veel sproeien, niet meer wilde groeien. Op een keer, toen ik naar Gorinchem op weg was voor zo’n rit, kwam ik op het idee om even langs huis te rijden. Piet de Vogel trof mij in Berkel en Rodenrijs aan en wilde zijn auto wel terug voor zijn kolenhandel, die net weer was aangetrokken. Ik had daar een hard hoofd in, want al kon hij mij terugkrijgen, de auto kreeg hij niet, want die werd tot in Frankrijk ingezet. Bernard van der Meer echter wist raad. Hij kende iemand die een kleine auto had, maar geen werk en wel wat bij wilde verdienen. We reden met beide auto’s ’s nachts naar een verzamelplaats in Brabant om de kleine auto de weg te wijzen, daar verwisselden we de nummers, iedere auto had namelijk een verplicht werknummer. Bij de poort werd er niet op de auto gelet, maar alleen op het nummer. De kleine auto ging richting de poort met het “ingedeelde“ nummer, de grote van Piet de Vogel draaide om en ging richting op huis aan. Zo kreeg hij zijn vrachtauto met chauffeur weer terug."
Het kamp
De Vogel moest ook bij toerbeurt rijden voor de Duitsers van het "Kamp” aan de Wildersekade. Dit Duitse kamp was bedoeld voor opvang van krijgsgevangen.
"Gerrit Kraaienbos en ik moesten dan naar Scheveningen om bij een speciale zaak vlees voor de Duitsers te halen. Ook reden we naar het Westland voor groenten. Meestal reden er een paar Duitsers mee. Die zaten dan in de cabine een bak druiven op te eten, zonder dat wij er iets van kregen.
Later ben ik ondergedoken, anders moest ik ook in Duitsland gaan werken. Ik was toen al getrouwd. Jan Rozendaal, de verzetsman, vroeg aan Bolle Gerrit (van der Kaaden) en mij of wij met een auto van Piet de Vogel naar Groningen wilden rijden om eten te gaan halen voor ziekenhuizen, waarvan tien procent ten goede zou komen aan de onderduikers. Hij zou voor geldige papieren zorgen. We hebben misschien zes van die ritten gedaan. De auto’s reden toen op kolengas, een stelsel van twee ketels waar in één daarvan kolen werden gestookt. Die stond in verbinding met de andere ketel, waarin het rookgas werd gezuiverd die dan de motor liet lopen. Daarmee kon je niet harder dan vijftig kilometer per uur. ’s Nachts reed je zonder licht. Dat was goed uitkijken."
Avontuur
Kees: "Als Bolle Gerrit meereed kon je altijd wel op avontuur rekenen. Die was nergens bang voor. Toen we bij de brug over de IJssel bij Zwolle werden aangehouden beleefden we spannende ogenblikken, want onder de lading lagen een paar Rotterdammers die ook in Groningen eten waren gaan halen. De Duitsers hadden de gewoonte om met een lange spies in de lading te steken. Het is overigens goed afgelopen.
Op een volgende rit werden we aangehouden door twee Duitse soldaten die pech hadden met hun auto en ons vroegen hen te slepen. Gerrit bond de ketting aan onze achteras goed vast en legde het andere eind los over hun vooras. Hij zei tegen mij: “Als ik een seintje geef, vol gas vooruit”. Het verbaast me nog steeds, dat we niet beschoten werden.
Een andere keer hadden we vier passagiers bij ons, toen een stel landwachters (geüniformeerde NSB-ers) ons aanhield. Zij wilden meerijden en daartoe zetten zij de vier meerijders op straat. Even later dwongen Jan van der Kaaden en Kees in ’t Veen (beiden transportondernemers) ons met hun vrachtwagen tot stoppen. Zij hadden, midden op de Veluwe was het, alles gezien en zij eisten dat de landwachters uitstapten. Die weigerden echter, waarop Jan en Kees hen bij kop en kont pakten en op straat smeten."
Spannend om over te vertellen waren de wapendroppings bij Jan Job op het land. Kees: "Met paard en wagen werden die wapens naar voren gebracht, in een schuit geladen en vervoerd naar de tuin van De Vogel (hij was ook tuinder). Daar werden de geweren uitgepakt en de containers werden over de landscheiding in de plas gedumpt, het inundatiegebied. Van tijd tot tijd verscheen er een zogenaamde postauto die achteruit over de landscheiding tot bij de tuin van De Vogel kon komen. Via een plank over de sloot werden de geweren dan ingeladen. Ook werden er geweren verstopt in de watervulbakken van de tuinders in de omgeving, die leeg stonden omdat er niet gestookt kon worden. De tuinders zelf wisten daar niets van, die hoorden dat pas na de oorlog..."
De auteur
Dit interview in de serie 'Oude Berkelnaren vertellen...' is geschreven door Johan Koot, medeoprichter en bestuurslid van de Historische Vereniging Berkel en Rodenrijs. Op 22 september 2011 is hij overleden. Johan schreef 32 artikelen voor Het Lint. Als geboren inwoner van Berkel en Rodenrijs was hij bij veel mensen bekend en heeft interviews gehouden die bijgedragen hebben aan het beschrijven van de geschiedenis van zijn geboortedorp.


